Remco Campert I (- 1950)

Remco Campert.2

Campert.1

Remco Wouter Campert (Den Haag, 28 juli 1929) is een Nederlandse dichter, columnist en schrijver van verhalen en romans. Hij maakte deel uit van de literaire stroming de Vijftigers.

Zijn vader was de dichter Jan Campert, auteur van het beroemde gedicht 'Het lied der achttien dooden'. Zijn moeder was actrice Joekie Broedelet, onder andere bekend van de gastrollen die ze op latere leeftijd speelde bij Van Kooten en De Bie. Zij gingen uit elkaar toen Campert 3 jaar was, waarna hij afwisselend bij een van hen en bij zijn grootouders woonde tot hij in 1942 werd ondergebracht bij een pleeggezin.
 

Toen de wijk waarin ze woonden door de Duitsers werd afgebroken, vertrok het gezin naar Epe, waar Campert de Mulo bezocht. Het was ook in Epe waar hij in 1943 hoorde dat zijn vader op 40-jarige leeftijd in het concentratiekamp Neuengamme was overleden. Na de oorlog ging hij met zijn moeder in Amsterdam wonen en volgde daar het gymnasium aan het Amsterdams Lyceum. Hij verliet de school voortijdig, nadat hij het besluit had genomen schrijver te worden.

Remco Wouter Campert (La Haya, 28 de julio 1929) es un poeta neerlandés, columnista y escritor de novelas y cuentos. Forma parte de la corriente literaria de los Cincuentistas.

Su padre era el poeta Jan Campert, autor del famoso poema 'La canción de los dieciocho muertos'. Su madre era la actriz Joekie Broedelet, conocida entre otras cosas por sus actuaciones ya mayor como estrella invitada en el programa de Van Kooten en De Bie. Se separaron cuando Campert tenía 3 años, tras lo cual él vivió consecutivamente con uno de ellos y con sus abuelos hasta que en 1942 fue acogido por una familia de adopción.

Cuando el barrio en que vivían fue derruido por los alemanes, la familia partió hacia Epe, donde Campert estudio la secundaria. También fue en Epe donde in 1943 oyó que su padre había muerto a los 40 años de edad en el campo de concentración de Neuengamme. Tras la guerra se fue con su madre a vivir a Ámsterdam y continuó sus estudios en el instituto ‘Amsterdams Lyceum’. Abandonó el colegio prematuramente, tras haber tomado la decisión de convertirse en escritor.

> Enlace a ‘Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren’

Remco Campert – Januari 1943

                     voor Joekie Broedelet

Ik liep over het karrespoor
op een krakende winterdag

mijn moeder kwam me tegemoet
figuurtje in de verte

de nacht ervoor droomde ik
dat ik een scheepje zeilen deed

mijn hand streelde het kroos
in de blikkerende sloot

het scheepje zeilde naar de overkant
en raakte klem in het oevergras

ik keek op en zag mijn vader staan
hij stak zijn arm door prikkeldraad

hij keek me smekend aan
mijn vader vroeg aan mij om brood

Op die landweg, moeder
hield je me minuten vast

je ogen waren rood
je jas die rook naar stad

de Duitser had per kaart gemeld
mijn vader hij was dood

in Neuengamme, bitter oord
daar hadden ze hem vermoord

Ik voelde niets
maar wist dat ik iets voelen moest

keek langs mijn moeders mouw
naar het lokkend bos

pas toen het kon vertelde ik honderduit
over wat me werkelijk bezighield

de strik die ik had gezet
voor het konijnehol

de hut die ik aan het bouwen was
in de boom die niemand kende

eerst later voelde ik pijn
die niet meer overging

die nog mijn lijf doortrekt
nu ik dit schrijf

lang geleden, toch dichtbij
de tijd duurt één mens lang

Remco Campert – Enero de 1943

                      para Joekie Broedelet

Por el camino de carretas iba
un día de crudo invierno

mi madre salió a mi encuentro
figurita a lo lejos

la noche anterior soñé
que hacía flotar un barquito

acariciaba las lentejas de agua
en la reluciente acequia

se fue a la otra orilla el barco
y quedó entre la hierba atrapado

levanté la vista y vi a mi padre
su brazo entre la alambrada

me miraba suplicante
mi padre me pedía pan.

En aquella senda rural, madre,
me asiste largos minutos

tenías los ojos rojos
te olía a ciudad el abrigo

los alemanes nos dijeron por carta
que mi padre había muerto

en Neuengamme, amargo sitio,
allí cayó asesinado.

Nada sentí, mas sabía
que debía sentir algo

por la manga de mi madre
miraba al bosque encantado

en cuanto pude le conté todo
lo que de verdad me importaba

la trampa que había puesto
en la madriguera de conejos

la choza que estaba haciendo
en el árbol que nadie conocía

sólo después sentí un dolor
que nunca más me dejó

que aún me recorre el cuerpo
el escribir estas líneas

hace ya mucho y sin embargo tan poco, / el tiempo dura lo que dura un ser humano.

Trad. Fernando García de la Banda
República de las Letras, Nº extra-3. Octubre de 1988.

Remco Campert – Enero de 1943

                     para Joekie Broedelet

Por una senda rural
iba yo en el crudo invierno

mi madre salió a mi encuentro
figurita allá a lo lejos

la noche anterior soñé
que echaba a flotar un barquito

mi mano acariciaba el agua
en la acequia reluciente

se fue a la otra orilla el barco
y quedó entre la hierba atrapado

alcé la vista y vi a mi padre
su brazo entre la alambrada

mirándome suplicante
mi padre me pedía pan

En aquel camino, madre,
me abrazaste largos minutos

tenías los ojos rojos
te olía a ciudad el abrigo

los alemanes escribieron
que mi padre había muerto

en Neuengamme, amargo sitio,
fue allí donde lo mataron

Nada sentí, mas sabía
que debía sentir algo

por la manga de mi madre
miraba al bosque seductor

cuando pude conté todo
lo que de verdad me importaba

la trampa que había puesto
junto a la conejera

la choza que estaba haciendo
en el árbol que nadie conocía

sólo después sentí un dolor
que ya nunca más se iría

que aún me recorre el cuerpo
al escribir estas líneas

fue hace mucho, pero está cerca,
el tiempo dura toda una vida.
 

Versión revisada, con aportaciones de clase.

Remco Campert – Januari 1943

                     voor Joekie Broedelet

Ik liep over het karrespoor
op een krakende winterdag

mijn moeder kwam me tegemoet
figuurtje in de verte

de nacht ervoor droomde ik
dat ik een scheepje zeilen deed

mijn hand streelde het kroos
in de blikkerende sloot

het scheepje zeilde naar de overkant
en raakte klem in het oevergras

ik keek op en zag mijn vader staan
hij stak zijn arm door prikkeldraad

hij keek me smekend aan
mijn vader vroeg aan mij om brood

Op die landweg, moeder
hield je me minuten vast

je ogen waren rood
je jas die rook naar stad

de Duitser had per kaart gemeld
mijn vader hij was dood

in Neuengamme, bitter oord
daar hadden ze hem vermoord

Ik voelde niets
maar wist dat ik iets voelen moest

keek langs mijn moeders mouw
naar het lokkend bos

pas toen het kon vertelde ik honderduit
over wat me werkelijk bezighield

de strik die ik had gezet
voor het konijnehol

de hut die ik aan het bouwen was
in de boom die niemand kende

eerst later voelde ik pijn
die niet meer overging

die nog mijn lijf doortrekt
nu ik dit schrijf

lang geleden, toch dichtbij
de tijd duurt één mens lang

Remco Campert – January 1943

                      for Joekie Broedelet

I was walking along the cart track
on a sparkling winter day

my mother came to meet me
a figure in the distance

the night before I’d had a dream
I’d been sailing my little boat

my hand skimmed the duckweed
in the gleaming waterway

the boat sailed to the other side
and stranded in the rushes there

when I looked up I saw my father
thrusting his arm through barbed wire

he gazed at me with pleading eyes
my father asking me for bread.

On that country road mother
you held me tight for ages

your eyes were red
your jacket smelled of city

the Germans had posted us a card
informing us that he had died

in Neuengamme bitter word
they’d murdered him.

I felt nothing then but knew
there was something I should feel

I looked past my mother’s sleeve
towards the deep enticing wood

when I got the chance I told her all
about the things that interested me

the trap I’d set
at the entrance to the rabbit warren

the hut that I was building
in a tree I alone knew

only later did I feel a pain
pain that never went away

that still floods through my body
as I write this

long ago and yet so near
time lasts a lifetime long.

Translation: 2007, Donald Gardner

Remco Campert 'Poëzie is een daad' - Remco Campert 'La poesía es un acto'

Voorgelezen door Pieter de Winter - Leído por Pieter de Winter

Poëzie is een daad

Poëzie is en daad
van bevestiging. Ik bevestig
dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

Poëzie is een toekomst, denken
aan volgende week, aan een ander land,
aan jou als je oud bent.

Poëzie is mijn adem, beweegt
mijn voeten, aarzelend soms,
over de aarde die daarom vraagt.

Voltaire had pokken, maar
genas zichzelf door o.a. te drinken
120 liter limonade: dat is poëzie.

Of neem de branding. Stukgeslagen
op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,
maar herneemt zich en is daarin poëzie.

Elk woord dat wordt geschreven
is een aanslag op de ouderdom.
Tenslotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal
nadat het laatste woord geklonken heeft.
De dood is een ontroering.

Remco Campert
Uit: Het huis waarin ik woonde
De Bezige Bij. 1955

Poëzie is een daad

Poëzie is en daad
van bevestiging. Ik bevestig
dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

Poëzie is een toekomst, denken
aan volgende week, aan een ander land,
aan jou als je oud bent.

Poëzie is mijn adem, beweegt
mijn voeten, aarzelend soms,
over de aarde die daarom vraagt.

Voltaire had pokken, maar
genas zichzelf door o.a. te drinken
120 liter limonade: dat is poëzie.

Of neem de branding. Stukgeslagen
op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,
maar herneemt zich en is daarin poëzie.

Elk woord dat wordt geschreven
is een aanslag op de ouderdom.
Tenslotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal
nadat het laatste woord geklonken heeft.
De dood is een ontroering.

Remco Campert
Uit: Het huis waarin ik woonde
De Bezige Bij. 1955

La poesía es un acto

La poesía es un acto
de afirmación. Afirmo
que vivo, que no vivo solo.

La poesía es un futuro, pensar
en la semana próxima, en otro país,
en ti ya viejo.

La poesía es mi aliento, mueve
mis pies, que dudan a veces
sobre la tierra que lo solicita.

Voltaire tuvo la viruela, pero
se curó él solo tomando entre otras cosas
120 litros de limonada: eso es poesía.

O por ejemplo la rompiente. Destrozada
contra las rocas no está en realidad vencida,
sino que se rehace y es en eso poesía.

Toda palabra que se escribe
es una embestida contra los años.
La muerte ganará a la postre, no hay duda,

pero la muerte no es más que el silencio en la sala
cuando ha sonado la última palabra.
La muerte es una emoción.

 
 
 

Poetry is an act

Poetry is an act
of affirmation. I affirm
I live, I do not live alone.

Poetry is a future, thinking
of next week, of another country,
of you grown old.

Poetry is breath, moving
my feet, sometimes with hesitation
over the demanding earth.

Voltaire had a pox, but
cured himself by drinking 200 pints
of lemonade amongst other things: and that’s poetry.

Or take the surf. Beaten to bits
on the rocks but not beaten,
resumes the assault and thus is the poetry.

Each written word
is an onslaught upon old age.
Death wins at last, for sure,

but death is merely the silence in the theater
when the last word is spoken.
Death is an emotion.

Traducción de John Scott & Graham Martin

Remco Campert leest 'Brieven' voor - Remco Campert lee 'Cartas'

Brieven

Die moet ik nog schrijven, en die
dat ik gezond ben
dat ik gisteren dronken was in een grieks café
daarna in een turks café, in een noors

dat ik me instel op een hoge
zeer hoge gasrekening
en andere dingen aan anderen -
grasduinen in een steeds
                             onverklaarbaarder wereld.

Dat iemand zei
gij Hollanders, ge zijt allemaal hetzelfde
terwijl ik toch had betaald
en een Franse bril op had
en een Duitse gedichtenbundel op zak
en thuis op mijn tafel
Anne Sexton's onovertrefbare gedicht
'wanting to die'.

En luister hoe ik de stoppen vernieuwde
en het licht opeens weer brandde
en zij op de bank lag te slapen
onder de blauwe deken.

Aan deze en gene moet ik schrijven
dat ik het niet doe
dat ik weiger
dat ik ga procederen
dat de dagen hier in de regen verslijten
en de wereld nooit groter is
                                                    dan een stad
dan ik in die stad
mijn voeten op die stenen
en wat ik zie als ik knipper met mijn ogen
en ik moet vragen hoe het gaat
of het huis al gebouwd is
het stuk goed vertaald
of de kinderen voorspoedig groeien
en de vrouwen niet al te ongelukkig zijn

Uit: ' Mijn leven's liederen', 1968
  
 
 
 

Brieven

Die moet ik nog schrijven, en die
dat ik gezond ben
dat ik gisteren dronken was in een grieks café
daarna in een turks café, in een noors

dat ik me instel op een hoge
zeer hoge gasrekening
en andere dingen aan anderen -
grasduinen in een steeds
                             onverklaarbaarder wereld.

Dat iemand zei
gij Hollanders, ge zijt allemaal hetzelfde
terwijl ik toch had betaald
en een Franse bril op had
en een Duitse gedichtenbundel op zak
en thuis op mijn tafel
Anne Sexton's onovertrefbare gedicht
'wanting to die'.

En luister hoe ik de stoppen vernieuwde
en het licht opeens weer brandde
en zij op de bank lag te slapen
onder de blauwe deken.

Aan deze en gene moet ik schrijven
dat ik het niet doe
dat ik weiger
dat ik ga procederen
dat de dagen hier in de regen verslijten
en de wereld nooit groter is dan een stad
dan ik in die stad
mijn voeten op die stenen
en wat ik zie als ik knipper met mijn ogen
en ik moet vragen hoe het gaat
of het huis al gebouwd is
het stuk goed vertaald
of de kinderen voorspoedig groeien
en de vrouwen niet al te ongelukkig zijn

Uit: ' Mijn leven's liederen', 1968
  

Cartas

A éste aún tengo que escribirle, y a aquél
que de salud estoy bien
que ayer me emborraché en una taberna griega
y luego en otra turca, y en una noruega

que me va a llegar
una factura del gas enorme
y escribir otras cosas a otros–
husmear en un mundo
                                             cada vez más inexplicable

que alguien me dijo:
los holandeses es que sois todos iguales
y eso que yo había pagado
y que llevaba unas gafas francesas
y una antología de poesía alemana en el bolsillo
y que en casa tenía encima de la mesa
el insuperable poema de Anne Sexton
‘wanting to die’.

y dejad que os cuente cómo cambié los fusibles
y de repente volvió la luz
y ella dormía en el sofá
bajo la manta azul

A uno y a otro tengo que escribirles
que no voy a hacerlo
que me niego
que voy a pleito
que aquí los días se desgastan bajo la lluvia
y que el mundo nunca es más grande
                                                             que una ciudad
ni que yo en esa ciudad
mis pies sobre esas piedras
y lo que veo al abrir y cerrar los ojos
y tengo que preguntarles qué tal les va
si ya han acabado de construir la casa
si han traducido bien la obra
si sus hijos crecen sanos y salvos
y sus mujeres no son demasiado desdichadas

Basada en la traducción de Diego J. Puls, en colaboración con Carmen Bartolomé Corrochano
ttp://www.diegopuls.com.ar/index.php?option=com_content&task=view&id=318&Itemid=36&lang=es
 

Letters

I should write him and him
that I’m in good health
that I was drunk last night in a Greek café
after that in a Turkish café, a Norwegian café

that I am preparing myself
for an extravagantly high gas bill
and other things to others―
browsing in an ever more
                                                inexplicable world.

that someone said:
you Dutchmen you are all the same
even though I had picked up the check
and was wearing a French pair of glasses
and what’s more had a book of German poems in my pocket / and at home on the table
Anne Sexton’s inimitable poem
‘wanting to die.’

and listen how I put in new fuses
and suddenly the light went on again
and she was lying asleep on the couch
beneath the blue blanket.

I should write to this one and that one
that I won’t do it
that I refuse
that I’m taking it to court
that the days here wear away in rain
and the world is never larger than a town
than me in that town
my feet on those cobblestones
and what I see when I blink my eyes
and I should ask how things are
whether the house is built
the play well translated
if the children are thriving
and the wives not all too unhappy.

Translation: James S. Holmes

Remco Campert 'Ik, ik, ik' - Remco Campert 'Yo, yo, yo'

Un ejemplo de cómo a veces un poema que tiene sentido en una cultura y un tiempo (Holanda, 1959) puede no tenerlo en otra y otro tiempo (IX Festival de Poesía de Medellín, Colombia, 1999).

IK, IK, IK

Ik heb tanden, ik heb schoenen
ik heb handen weinig geld
                                            maar voldoende sigaretten
ik heb een tramkaart
vrienden in heel Europa ook in Amerika
ik heb geen huis, maar wie wil een huis...
ik heb wel sleutels van vroegere huizen
in alle huizen waar ik kom liggen van mij boeken
ik heb kilometers straat in de huid van mijn voeten
ik heb miljoenen mensen in mijn ogen
ik heb duizend dingen om aan te denken
ik heb hoofdpijn van het denken. Ik heb
vuile nagels.

Uit: Bij hoog en bij laag, 1959, De Bezige Bij, Amsterdam.

YO, YO, YO

Tengo dientes, tengo zapatos
tengo manos poco dinero
                                                 pero me queda tabaco
tengo un bono para el tranvía
amigos en toda Europa también en América
no tengo casa, pero quién quiere una casa...
sí, tengo llaves de anteriores casas
en todas las casas donde voy hay libros míos
tengo kilómetros de calle cosidos a mis pies
tengo millones de personas en la retina
tengo mil cosas en que pensar
tengo dolor de cabeza de pensar. Tengo
las uñas sucias.