‘Op de fiets’ – Elisabeth Koenraads

‘Op de fiets’ – oefeningen door Elisabeth Koenraads

> Enlace a 'Op de fiets'

http://mediterraned.org/index.php/mediterraned-online/bibliotheek/21-educatief-materiaal/123-op-de-fiets-pedalando-inhoud

INHOUD (Contenido)
Spelling (Deletrar)
1 Lettergreepverdeling (división silábica)
2 Samenstellingen (compuestos)

Het persoonlijke voornaamwoord en de presens van het werkwoord (pronombre personal y presente del verbo)

3 Persoonlijk voornaamwoord subject + object (pronombre personal sujeto + objeto)
4 Persoonlijk voornaamwoord object
5 Persoonlijk voornaamwoord subject
6 Persoonlijk voornaamwoord direct en indirect object (pronombre personal objeto directo e indirecto)
7 Stam van het werkwoord (raíz del verbo)
8 Presens van 'hebben' en 'zijn' (Presente de ‘hebben’ y ‘zijn’)
9 Presens 1 (Presente)
10 Presens 2
11 Presens 3
12 Presens 4

De woordvolgorde in de enkelvoudige zin  (Orden de la frase en la oración simple)

Bevestigende zin (Oración declarativa)
13 Bevestigende zin a
14 Bevestigende zin b
15 Bevestigende zin c
16 Bevestigende zin d
17 Bevestigende zin e

Inversie (inversión [sujeto/verbo])
18 Inversie a
19 Inversie b
20 Inversie c
21 Inversie d
22 Inversie e
23 Vraagzin  (oración interrogativa)
24 Imperatief 1  (imperativo)
25 Imperatief 2

Het zelfstandig naamwoord  (el nombre sustantivo)
26 Meervoud 1  (plural)
27 Meervoud 2
28 Meervoud 3
29 Meervoud 4
30 Diminutief 1  (diminutivo)
31 Diminutief 2

Het lidwoord  (el artículo)
32 Bepaald lidwoord  (artículo determinado)
33 Gebruik lidwoord 1  (uso del artículo)
34 Gebruik lidwoord 2

Het aanwijzend en bezittelijk voornaamwoord  (pronombre demostrativo y posesivo)
35 Aanwijzend voornaamwoord 1  (pronombre demostrativo)
36 Aanwijzend voornaamwoord 2
37 Aanwijzend voornaamwoord 3
38 Aanwijzend voornaamwoord 4
39 Identiteitsconstructie  (estructura de identidad)
40 Bezittelijk voornaamwoord 1  (pronombre posesivo)
41 Bezittelijk voornaamwoord 2

Het adjectief  (el adjetivo)
42 Adjectief 1
43 Adjectief 2
44 Adjectief 3
45 Adjectief 4
46 Adjectief 5
47 Comparatief en superlatief  (comparativo y superlativo)

De woordvorming  (morfología)
48 Vrouwelijke vorm  (el femenino)
49 Vorming adjectief 1  (forma del adjetivo)
50 Vorming adjectief 2

De verleden tijd van het werkwoord  (el pasado del verbo)
51 Tijden regelmatig werkwoord  (tiempos del verbo regular)
52 Regelmatige imperfectum 1  (imperfecto regular)
53 Regelmatig imperfectum 2
54 Regelmatig perfectum  (perfecto regular)
55 Tijden onregelmatig werkwoord  (tiempos del verbo iregular)
56 Onregelmatig imperfectum  (imperfecto irregular)
57 Onregelmatig perfectum  (perfecto irregular)
58 Keuze hulpwerkwoord 1  (escoger entre el auxiliar ‘hebben/zijn’)
59 Keuze hulpwerkwoord 2
60 Adjectief deelwoord 1  (el participio como adjetivo)
61 Adjectief deelwoord 2

Het passief  (la pasiva)
62 Passief 1
63 Passief 2

De toekomstige tijd en de modale werkwoorden  (el futuro y los verbos modales)
64 Toekomstige tijd en modaal werkwoord 1
65 Toekomstige tijd en modaal werkwoord 2a
66 Toekomstige tijd en modaal werkwoord 2b
67 Toekomstige tijd en modaal werkwoord 2c
68 Toekomstige tijd en modaal werkwoord 2d
69 Toekomstige tijd en modaal werkwoord 2e
70 Perfectum modaal werkwoord  (el perfecto de los verbos modales)

Het bijwoord  (el adverbio)
71 Bijwoord

De ontkenning  (la negación)
72 Ontkenning 1
73 Ontkenning 2
74 Ontkenning 3
75 Ontkenning 4

Het partikel 'er'  (la partícula ‘er’)
76 er 1
77 er 2
78 er 3

De zinsontleding  (análisis sintáctico)
79 Woordsoorten 1  (partes de la oración)
80 Woordsoorten 2
81 Zinsdelen 1  (categorías gramaticales)
82 Zinsdelen 2

Het voorzetsel  (la preposición)
83 Voorzetsel 1
84 Voorzetsel 2
85 Voorzetsel 3
86 Persoonlijk voornaamwoordelijk bijwoord 1  (adverbios pronominales ‘personales’)
87 Persoonlijk voornaamwoordelijk bijwoord 2
88 Persoonlijk voornaamwoordelijk bijwoord 3
89 Aanwijzend voornaamwoordelijk bijwoord  (adverbios pronominales con ‘hier/daar’)

Het onbepaalde en vragende voornaamwoord  (el pronombre indefinido e interrogativo)
90 Onbepaald voornaamwoord  (pronombre indefinido)
91 Vragend voornaamwoord  (pronombre interrogativo)
92 Vragend voornaamwoordelijk bijwoord (adverbio pronominal interrogativo)

Het telwoord (los numerales)
93 Hoofdtelwoord 1  (cardinales)
94 Hoofdtelwoord 2
95 Rangtelwoorden (ordinales)
96 Klokkijken (la hora)
97 Maten en tijden (medidas y tiempo)

Het samengestelde werkwoord (el verbo compuesto)
98 Samengesteld werkwoord 1
99 Samengesteld werkwoord 2
100 Samengesteld werkwoord 3a
101 Samengesteld werkwoord 3b
102 Samengesteld werkwoord 3c
103 Samengesteld werkwoord 3d
104 Samengesteld werkwoord 3e  
105 Samengesteld werkwoord 4

Het wederkerend werkwoord  (el verbo reflexivo)
106 Wederkerend werkwoord 1
107 Wederkerend werkwoord 2 a
108 Wederkerend werkwoord 2 b
109 Wederkerend werkwoord 2 c
110 Wederkerend werkwoord 2 d

Het werkwoord van positie  (los verbos de posición)
111 Werkwoord van positie 1
112 Werkwoord van positie 2

Het onpersoonlijke en het koppelwerkwoord  (verbos impersonales y copulativos)
113 Onpersoonlijk werkwoord (verbo impersonal)
114 Koppelwerkwoord (verbo copulativo)

Werkwoordgroepen  (el grupo verbal final)
115 te 1  (con ‘te’)
116 te 2
117 Dubbele infinitief 1  (el doble infinitivo)
118 Dubbele infinitief 2

Aspectualiteit  (el aspecto)
119 Aspectualiteit a (duratief) (durativo)
120 Aspectualiteit b (duratief)
121 Aspectualiteit c (duratief)
122 Aspectualiteit d (duratief)
123 Aspectualiteit e (inchoatief) (incoativo)

De woordvolgorde in de enkelvoudige zin  (el orden de los elementos en la oración simple)

Volgorde objecten  (orden de los complementos en la frase)
124 Volgorde objecten a
125 Volgorde objecten b
126 Volgorde objecten c
127 Volgorde objecten d
128 Volgorde objecten e
129 Volgorde objecten f
130 Volgorde objecten g
131 Volgorde objecten h

Het betrekkelijk voornaamwoord en de betrekkelijke bijzin  (el pronombre relativo y la oración de relativo)
132 Betrekkelijk voornaamwoord 1  (pronombre relativo)
133 Betrekkelijk voornaamwoord 2 (met impliciete antecedent) (con antecedente implícito)
134 Betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord 1 (adverbio pronominal de relativo)
135 Betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord 2

De samengestelde zin  (la oracion compuesta)
136 Nevenschikkende zin  (la oración coordinada)
137 Voorwerpszin 1  (oración completiva)
138 Voorwerpszin 2
139 Onderwerpszin  (oración sustantiva)
140 Bijzin van tijd 1  (subordinada de tiempo)
141 Bijzin van tijd 2
142 Bijzin van tijd 3
143 Bijzin van causaliteit  (subordinada causal)
144 Bijzin van gevolg en doel  (subordinada consecutiva y final)
145 Voorwaardelijke bijzin 1  (subordinada condicional)

Voorwaardelijke bijzin 2  (condicionales 2)
146 Voorwaardelijke bijzin 2a
147 Voorwaardelijke bijzin 2b
148 Voorwaardelijke bijzin 2c
149 Voorwaardelijke bijzin 2d

150 Bijzin van vergelijking en beperking  (comparativa y restrictiva)
151 Bijzin van toegeving 1  (concesivas)
152 Bijzin van toegeving 2
153 Impliciete bijzin  (reconocimiento de subordinadas)

De woordvolgorde in de samengestelde zin  (el orden de los elementos en la subordinada)

154 Volgorde samengestelde zin 1  (el orden en la oración compuesta)
155 Volgorde samengestelde zin 2
156 Volgorde samengestelde zin 3

 

 

Submit a Comment

Tu dirección de correo electrónico no será publicada. Los campos obligatorios están marcados con *