Felip Lorda i Alaiz – Harry Mulisch

mulisch-2
Harry Mulisch

mulisch-1
Harry Mulisch

mulisch-4
Portada de la novela De Aanslag (El atentado, 1982)

mulisch-9
The Assault, traducida por Claire Nicolas White (1985)

mulisch-6
El atentado, traducida por Felip Lorda i Alaiz (1986)

mulisch-5
Carátula de la película de Fons Rademakers, Óscar y Globo de oro a la mejor película extranjera en 1986.

felip-lorda-i-alaiz-1968
Felip Lorda i Alaiz (1968)

> Enlace a Felipe Lorda en Wikipedia española

> Enlace a las traducciones de Felip M. Lorda i Alaiz en la base de datos del Nederlands Letterenfonds (Fondo Neerlandés para las Letras)

> Harry Mulisch op Wikipedia Nederlands

> Enlace a Harry Mulisch en Wikipedia española

Harry Kurt Victor Mulisch (Haarlem, 29 juli 1927 - Amsterdam, 30 oktober 2010) was een Nederlands schrijver.

Mulisch, de zoon van een Oostenrijks-Hongaarse vader die collaboreerde tijdens de Tweede Wereldoorlog en een Duits-Joodse moeder, groeide op tijdens de Tweede Wereldoorlog, die een sterke invloed op hem en zijn schrijverschap had. In 1947 verscheen zijn eerste verhaal (De kamer), in 1952 volgde zijn eerste roman: archibald strohalm. Vele andere werken volgden, waaronder Het stenen bruidsbed (1959), Twee vrouwen (1975), De aanslag (1982) en De ontdekking van de hemel (1992). Zijn laatste roman was Siegfried, verschenen in 2001. 'Magisch-mythisch' is een veelgebruikte aanduiding voor een groot deel van zijn oeuvre.

Mulisch geldt als een van de belangrijkste naoorlogse Nederlandse schrijvers. Hij wordt tot "De Grote Drie" van de naoorlogse Nederlandse literatuur gerekend, waartoe ook Willem Frederik Hermans en Gerard Reve behoren. Mulisch won een groot aantal literaire prijzen, waaronder de Prijs der Nederlandse Letteren en de P.C. Hooft-prijs, beide voor zijn gehele oeuvre. De ontdekking van de hemel werd in 2007 uitgeroepen tot het beste Nederlandstalige boek aller tijden. In oktober 2010 overleed de auteur op 83-jarige leeftijd aan kanker.

Harry Kurt Victor Mulisch (Haarlem, 29 de julio 1927 - Ámsterdam, 30 de octubre 2010) fue un escritor de los Países Bajos.

Mulisch, hijo de un padre austrohúngaro que colaboró durante la Segunda Guerra Mundial y de una madre judeoalemana, creció durante la Segunda Guerra Mundial, que tuvo una gran influencia en él y en su escritura. En 1947 apareció su primer cuento (La habitación), en 1952 le siguió su primera novela: archibald strohalm. Le siguieron muchas otras obras, entre otras La cama de piedra (1959), Dos mujeres (1975), El atentado (1982) y El descubrimiento del cielo (1992). Su última novela fue Sigfrido, aparecida en 2001. El calificativo de 'mágico-mítica' se utiliza mucho para caracterizar una gran parte de su obra.

Mulisch cuenta como uno de los escritores neerlandeses más importantes de la posguerra. Se le incluye entre "Los Tres Grandes " de la literatura neerlandesa de posguerra, junto con Willem Frederik Hermans y Gerard Reve. Mulisch ganó un gran número de premios literarios, entre los que están el Premio de las Letras Neerlandesas y el Premio P.C. Hooft, ambos por su toda su obra. El descubrimiento del cielo fue proclamado en 2007 el mejor libro en neerlandés de todos los tiempos. En octubre de 2010 falleció el autor a los 83 años de edad, víctima del cáncer.

> ‘De Aanslag’ (roman) op Wikipedia Nederlands

> ‘De Aanslag’ (film) op Wikipedia Nederlands

Harry Mulisch. De Aanslag. Amsterdam: De Bezige Bij, 1982.

 

Overal was het al dag, maar hier was het nacht,
neen, meer dan nacht.

C. PLINIUS CAECILIUS SECUNDUS
Epistulae, VI, 16

 

Proloog

Ver, ver weg in de tweede wereldoorlog woonde een zekere Anton Steenwijk met zijn ouders en zijn broer aan de rand van Haarlem. Aan een kade, die over een lengte van honderd meter langs het water liep en dan met een flauwe bocht weer een gewone straat werd, stonden vier huizen niet ver van elkaar. Elk omgeven door een tuin hadden zij met hun kleine balkons, erkers en steile daken de allure van villa's, ofschoon zij eerder klein waren dan groot; op de bovenverdieping hadden alle kamers schuine muren. Zij stonden er verveloos en enigszins vervallen bij, want ook in de jaren dertig was er niet veel meer aan gedaan. Elk droeg een brave, burgerlijke naam uit onbezorgder dagen:

Welgelegen  Buitenrust  Nooitgedacht  Rustenburg

Anton woonde in het tweede huis van links: dat met het rieten dak. Het heette al zo toen zijn ouders het kort voor de oorlog huurden; zijn vader had het eerder 'Eleutheria' genoemd of iets dergelijks, maar dan geschreven in griekse letters. Ook al voordat de catastrofe plaatsvond, had Anton de naam 'Buitenrust' niet opgevat als de rust van het buitenzijn, maar als iets dat buiten de rust was, -zoals 'buitengewoon' niet op het gewone van het buitenzijn slaat (en nog minder op het buiten wonen in het algemeen), maar op iets dat  nu juist niet gewoon is.

  In 'Welgelegen' woonden de Beumers, een gepensioneerde, ziekelijke procuratiehouder met zijn vrouw, waar hij wel eens binnenliep en dan een kop thee met een koekje kreeg, dat zij 'kaakje' noemden, -althans zo lang er nog thee was en koekjes waren, en dat is voor het begin van deze geschiedenis, die de geschiedenis van een voorval is. Soms las meneer Beumer hem een hoofdstuk voor uit De drie muske­ tiers. Meneer Korteweg, de buurman aan de andere kant, in 'Nooitgedacht', was stuurman op de grote vaart en door de oorlog tot nietsdoen gedwongen. Na de dood van zijn vrouw was zijn dochter weer bij hem ingetrokken, Karin, een verpleegster. Ook daar kwam hij nu en dan, door een opening in de heg van de achtertuin; Karin was altijd aardig, maar haar vader besteedde geen aandacht aan hem. Veel ging men niet met elkaar om op die kade, maar het meest sloot het echtpaar Aarts zich af, dat sinds het begin van de oorlog in 'Rustenburg' woonde. Hij scheen iets te zijn bij een verzekeringsmaatschappij, maar zelfs dat was niet zeker.

  De vier huizen waren kennelijk bedoeld als het begin van een nieuwe wijk, maar daar was het niet meer van gekomen. Opzij en aan de achterkant lag opgespoten veld, met onkruid en struiken, en ook bomen die al niet zo jong meer waren. Daar, op die landjes, hing Anton veel rond; ook kinderen die in de buurt verderop woonden, speelden er. Soms, in de late schemering, als zijn moeder vergat hem binnen te roepen, verrees daar een geurende stilte, die hem vervulde met verwachtingen hij wist niet waarvan. Iets met later, als hij groot was, de dingen die dan zouden gebeuren. De roerloze aarde en de bladeren. Twee mussen die plotseling tsjilpend rondscharrelden. Het leven zou zijn als zulke avonden, waarin hij vergeten werd, zo geheimzinnig en oneindig.
 

  De klinkers van de rijweg aan de voorkant waren in een visgraatmotief gelegd. Zonder trottoir ging de straat over in de grasberm, die flauw daalde naar het jaagpad, zodat men daar aangenaam achterover kon  liggen. Aan de overkant van het brede kanaal -dat alleen in zijn zachte slingering nog toonde, dat het ooit een rivier was geweest - stonden een paar landarbeidershuisjes en kleine boerderijen; daarachter strekten de weiden zich uit tot de horizon. Nog wat verder lag Amsterdam. Voor de oorlog, had zijn vader hem verteld, was 's avonds de weerschijn van de stad zichtbaar geweest tegen de wolken. Een paar keer was hij er geweest, in Artis en in het Rijksmuseum, en bij zijn oom, waar hij een nacht gelogeerd had. Rechts, in een bocht van het water, stond een molen die nooit draaide.

  Als hij daar lag en in de verte staarde, moest hij soms zijn benen intrekken. Over het platgelopen jaagpad naderde dan een man, nog regelrecht afkomstig uit vroeger eeuwen: met zijn middel hing hij haaks over een meterslange stok, waarvan het andere eind vastgeklemd zat aan de voorsteven van een aak, die hij met langzame stappen door het water duwde. Aan het roer stond meestal een vrouw met een schort, het haar  in een knot, terwijl een kind op het dek speelde. De stok werd ook wel op een andere manier gebruikt. Dan was de man aan boord en liep over de zijkant van de aak naar voren, terwijl hij de stok achter zich aan door het water sleepte; op de voorplecht aangekomen, plantte hij hem schuin in de bodem, greep hem vast en liep terug, zodat hij de boot onder zich vandaan naar voren duwde. Dat vond Anton altijd het mooist: een man die naar achteren liep om iets naar voren te duwen, en tegelijk op dezelfde plaats bleef. Daar was iets heel raars aan de hand, maar hij sprak er met niemand over. Het was zijn geheim. Pas toen hij het later aan zijn eigen kinderen vertelde, besefte hij, in wat voor tijden hij nog had geleefd. Alleen in films over Afrika en Azië waren zulke dingen toen nog te zien.

 
 
  Een paar keer per dag kwamen er tjalken langs: volgeladen gevaartes met donkerbruine zeilen, stil verschijnend om de bocht en plechtig voortgedreven door de onzichtbare wind verdwijnend in de volgende. Met de motorschepen was het anders. Stampend spleten zij met hun boeg het water tot een V, die zich uitbreidde tot hij aan beide kanten de wal bereikte: daar begon het water dan plotseling op en neer te klotsen, terwijl het schip al een heel eind verder was. Vervolgens kaatste het terug en vormde een omgekeerde V, een labda, die zich steeds verder sloot, maar nu interfereerde met de oorspronkelijke V, vervormd de tegenoverliggende wal bereikte, weer terugkaatste, tot over de hele breedte van het water een ingewikkeld vlechtwerk van golven ontstond, dat  nog minutenlang allerlei veranderingen onderging, eer het ten slotte bedaarde en glad werd.

 Elke keer probeerde Anton vast te stellen, hoe het zich nu precies voltrok, maar elke keer groeiden de factoren aan tot een patroon, dat hij niet meer kon overzien.

Harry Mulisch. El atentado. Barcelona: Tusquets, 1986. Trad. Felip Lorda i Alaiz

 

“En todas partes era ya de día, pero aquí seguía
reinando la noche, no, más que la noche.”

C. Plinius Caecilius Secundus
Epistulae, VI, 16

 

Prólogo

   En los días ya lejanos, muy lejanos, de la II Guerra Mundial, un tal Anton Steenwijk vivía con sus padres y su hermano en las inmediaciones de Haarlem. Junto a un muelle que, sobre una distancia de cien metros, corría a lo largo de un canal y que, trazando una suave curva, volvía a convertirse en una calle ordinaria, se levantaban cuatro casas no demasiado separadas entre sí. Rodeada cada una de ellas de un jardín, con sus pequeños balcones, sus miradores y sus empinados tejados, tenían el aire de villas, aunque eran más bien pequeñas que grandes; las paredes de todas las habitaciones de los pisos superiores eran inclinadas. Los edificios aparecían despintados y en estado de cierta decadencia, ya que tampoco en los años treinta se había hecho gran cosa en ellos con vistas a su mantenimiento. En las fachadas ostentaban sendos nombres que, en días menos agobiados, se les habían ocurrido a una plácida burguesía bienpensante:

Bien Situada  Reposo Exterior  Insospechado  Ciudadela de Paz

   Anton vivía en la segunda casa de la izquierda: la del tejado de bálago. Ya se llamaba «Reposo Exterior» cuando sus padres la alquilaron poco antes de estallar la guerra; su padre hubiera preferido llamarla «Eleutheria» o algo por el estilo, escrita la palabra, además, en caracteres griegos. Ni siquiera antes de producirse la catástrofe había entendido Anton la expresión «Reposo Exterior» como el reposo que se goza al aire libre, en  pleno campo, sino como algo exterior al reposo, como la exclusión del reposo.
 

   En «Bien Situada» vivían los Beumer, un procurador ya jubilado, enfermizo, y su mujer, a los que Anton visitaba alguna que otra vez, en ocasión de lo cual se le ofrecía una taza de té y una tortita ―a la que llamaban «tartita»―, al menos mientras hubo té y hubieron tortitas, o sea, antes del comienzo de esta historia, que es la crónica de un suceso. A veces el señor Beumer le leía un capítulo de Los tres mosqueteros.

   El señor Korteweg, el vecino del otro lado, inquilino de «Insospechado», era piloto de la navegación de altura, reducido por la guerra a una inactividad total. Tras la muerte de su mujer, su hija Karin, una enfermera, había vuelto a casa. También allí iba Anton de cuando en cuando, pasando por una abertura que había en el seto del jardín posterior; Karin le trataba siempre con afabilidad, pero el padre no le hacía el menor caso.

   Escasas eran las relaciones que mantenían entre sí los vecinos de aquel muelle, pero el más aislado de todos era el matrimonio Aarts, que desde el comienzo de la guerra vivía en «Ciudadela de paz». Al parecer él tenía algo que ver con una compañía de seguros, pero ni siquiera esto se sabía a ciencia cierta.

   Todo inducía a creer que los cuatro edificios se habían construido como punto de arranque de un nuevo barrio, pero luego se debió de abandonar el proyecto. A uno y otro lado del grupo de viviendas y en la parte posterior del mismo se extendían campos de tierra algo elevada con hierbajos y arbustos y también árboles ya no demasiado jóvenes. Por allí solía vagabundear Anton; asimismo acudían a jugar otros chicos que vivían en los alrededores. A veces, al caer la noche, cuando su madre se olvidaba de llamarlo para que volviera a casa, se esparcía por allí una silente soledad llena de fragancias, que le henchía de expectativas por no sabía qué, por las cosas que sin duda habían de suceder más tarde, cuando fuera mayor. La tierra estática y las hojas inmóviles. Dos gorriones que de pronto se posan en el suelo y van de aquí para allá dando saltitos. La vida sería como aquellos crepúsculos vespertinos, en los que de una manera tan misteriosa y eviterna se sentía envuelto en el olvido.

   Los ladrillos de la carretera de delante de las casas estaban colocados siguiendo el patrón de una espina de pescado. Sin acera, la calle se convertía en berma cubierta de hierba, la cual descendía suavemente hacia el camino de sirga, de forma que se podía estar tumbado allí boca arriba la mar de bien. En la otra orilla del ancho canal ―que sólo la suave sinuosidad de su curso permitía adivinar que un día había sido río― había un par de casitas campesinas y pequeñas granjas; más allá se extendían los prados hasta alcanzar el horizonte. Y aún más allá estaba Amsterdam. Su padre le había contado que antes de la guerra la iluminación de la ciudad se reflejaba, al atardecer, en las nubes. Había estado en la capital un par de veces, para visitar el zoo y el Museo Nacional, y también para ver a su tío, en cuya casa había dormido una noche. A la derecha, donde el canal dibujaba una curva, había un molino de viento cuyas aspas no había visto girar nunca.

   Cuando estaba tumbado en el suave declive de la berma con la mirada perdida en la lejanía, a veces tenía que encoger las piernas. Por el camino de sirga, en que las pisadas de los sirgadores mantenían una senda muy marcada, se aproximaba un hombre arrancado directamente de siglos pasados: inclinado en ángulo recto sobre el extremo de un palo de unos metros de longitud, cuyo otro extremo estaba sujeto a la parte de proa de una barcaza, iba empujando la embarcación, a pasos lentos, por el agua. Casi siempre iba a bordo, empuñando el timón, una mujer que llevaba un delantal y el pelo recogido en un moño, mientras un niño jugaba en cubierta. El palo era utilizado también de otra manera. El hombre, subido en tales ocasiones a la barcaza, caminaba por el lado de la cubierta hacia adelante, mientras por detrás de sí arrastraba el palo por el agua; una vez llegado a la parte anterior, hundía oblicuamente el palo en el fondo del canal, lo agarraba fuertemente y volvía sobre sus pasos, de forma que por debajo de él empujaba la embarcación hacia adelante. Esto era lo que más admiraba Anton: un hombre que caminaba hacia atrás para empujar algo hacia adelante y que al mismo tiempo permanecía en el mismo sitio. Algo raro ocurría allí, pero nunca comentó aquello con nadie: era su secreto. Sólo cuando, años más tarde, lo contó a sus propios hijos, cayó en la cuenta de cuán remotos habían sido los tiempos que había llegado a vivir. Únicamente se podían ver aún semejantes escenas en películas de ambiente africano o asiático.

   Un par de veces por día pasaban veleros de carga: enormes moles cargadas hasta los topes con velas de color marrón oscuro, que aparecían silenciosamente al enfilar una curva y, empujadas solemnemente por el viento invisible, desaparecían al llegar a la próxima. Con los barcos de motor era otra cosa. Cabeceando, hendían el agua con su quilla y abrían una V que se iba ensanchando hasta alcanzar las dos orillas del canal; allí el líquido se ponía a chapotear de pronto arriba y abajo, mientras que el barco había avanzado ya un gran trecho. A continuación el agua rebotaba hacia el centro formando una V invertida, es decir, una lambda, que se iba cerrando cada vez más, pero que ahora se interfería con la V originaria, alcanzaba, deformada, la orilla opuesta, y rebotaba de nuevo, hasta que en toda la superficie del líquido se originaba un complicado trenzado de olas que durante varios minutos quedaba sujeto a toda suerte de transformaciones, hasta que por fin la fluida masa recobraba la calma y quedaba otra vez lisa.

   Anton intentaba explicarse cada vez cómo diablos se producía exactamente todo aquello, pero era en vano, ya que los factores se iban desarrollando y resolviendo siempre en un modelo cuya estructura se le escapaba.

Eerste episode
1945

Het was avond, rond half acht. De salamander had een paar uur zacht gebrand op wat houtblokken, maar nu was hij weer koud. Met zijn ouders en Peter zat hij aan tafel in de achterkamer. Op een bord stond een zinken cylinder ter grootte van een bloem pot; uit de bovenkant stak een dunne pijp, die zich splitste als een ypsilon, en uit gaatjes aan de uiteinden bliezen twee spitse, verblindend witte vlammetjes schuin tegen elkaar in. Dat instrument wierp zijn ontzielde licht door de kamer, waar in de scherpe schaduwen ook drogend wasgoed te zien was, alles herhaaldelijk versteld, keukengerei, stapeltjes ongestreken hemden, een hooikist om eten warm te houden. Ook twee soorten boeken uit zijn vaders studeerkamer: de rij op het buffet was om te lezen, de stapel romannetjes op de grond om het noodkacheltje mee aan te maken, waarop gekookt werd als er wat te koken was; kranten verschenen al sinds maanden niet meer. Behalve het slapen, speelde het huiselijk leven zich alleen nog in de voormalige eetkamer af. De schuifdeuren waren dicht. Er achter, aan de straatkant, lag de zitkamer waar zij de hele winter niet geweest waren. Om zo veel mogelijk kou buiten te houden, bleven de gordijnen daar ook overdag gesloten, zodat het van de kade af leek of het huis onbewoond was.
 

  Het was januari 1945. Bijna heel Europa was bevrijd, vierde feest, at, dronk, bedreef de liefde en begon de oorlog zoetjesaan al te vergeten; maar Haarlem veranderde steeds meer in een grauwe sintel, zoals die uit de kachel te voorschijn kwamen toen er nog kolen  waren.

  Zijn moeder had een donkerblauwe trui voor zich op tafel liggen. De helft er van was al verdwenen. In haar linkerhand hield zij de groeiende knot wol, waar zij met haar rechter snel de draad uit de trui omheen wond. Anton keek naar de heen en weer schietende draad, waardoor de trui uit de wereld verdween, haar vorm, met de plat uitgespreide mouwen, als iemand die iets tegen wil houden, en veranderde in een bol. Toen zijn moeder even tegen hem glimlachte, keek hij weer in zijn boek. Haar blonde haren zaten in opgerolde vlechten over haar oren, als twee ammonshorens. Nu en dan stopte zij even en nam een slok van haar koudgeworden surrogaatthee, die zij had gezet met gesmolten sneeuw uit de achtertuin. De waterleiding was weliswaar nog niet afgesloten, maar nu was zij bevroren. Zijn moeder had een gat in haar kies, waar momenteel niets aan gedaan kon worden; net als haar grootmoeder placht te doen, had zij er tegen de pijn een kruidnagel ingestopt, waarvan zij er nog een paar in de keuken had gevonden. Zo rechtop als zij zat, zo gebogen zat haar man tegenover haar een boek te lezen. Zijn donkere, grijzende haar stond als een hoefjzer rond zijn kale kruin; van tijd tot tijd blies hij in zijn handen, die groot en lomp waren, ofschoon hij geen werkman was maar griffier bij de arrondissementsrechtbank.

  Anton droeg kleren waar zijn broer uitgegroeid was, Peter op zijn beurt had een te groot, zwart pak van zijn vader aan. Hij was zeventien, en omdat hij plotseling was beginnen te groeien toen er steeds minder eten was, leek het of zijn lichaam was samengesteld uit vurenhouten latten. Hij maakte zijn huiswerk. Sinds een paar maanden kwam hij niet meer op straat: langzamerhand had hij de leeftijd om bij razzia's opgepakt te worden, voor de tewerkstelling in Duitsland. Omdat hij twee keer was blijven zitten, zat hij pas in de vierde klas van het gymnasium en kreeg nu les van zijn vader, met huiswerk en al, opdat hij niet nog verder achterop zou raken. De broers leken even weinig op elkaar als hun ouders. Er zijn echtparen die sprekend op elkaar lijken, en dat betekent misschien, dat de vrouw lijkt op de moeder van de man en de man op de vader van de vrouw (of iets ingewikkelder, wat het waarschijnlijkst is), maar het gezin Steenwijk bestond uit twee duidelijke delen: Peter had het blonde en blauwe van zijn moeder, Anton het donkere en bruine van zijn vader, ook de notenkleurige huid, die rondom zijn ogen nog iets donkerder was. Ook hij ging momenteel niet naar school. Hij zat in de eerste klas van het lyceum, maar wegens kolengebrek was de kerstvakantie verlengd tot het einde van de vorstperiode.

  Hij had honger, maar hij wist dat hij pas de volgende ochtend weer een kleffe grauwe boterham met bietenstroop zou krijgen. 's Middags had hij een uur in de rij gestaan bij de centrale keuken in de kleuterschool. Pas toen het al donker werd, kwam de handkar met de ketels de straat in, beschermd door een politieagent met een geweer op zijn rug. Nadat zijn kaarten waren geknipt, kreeg hij vier pollepels waterige soep in zijn meegebrachte pan. Over de landjes op weg naar huis had hij maar weinig van de warme, zurige smurrie gesnoept. Gelukkig was het bijna bed tijd. In zijn dromen was het altijd vrede.

 
Niemand zei iets. Ook buiten was geen geluid te horen. De oorlog was er altijd geweest en zou er altijd zijn. Geen radio, geen telefoon, niets. De vlammetjes suisden; nu en dan klonk een zacht plofje. Met een sjaal om, zijn voeten in een voetenzak die zijn moeder had gemaakt van een oude boodschappentas, las hij een artikel in Natuur en Techniek. Op zijn verjaardag had hij de ingebonden, tweedehands jaargang 1938 gekregen. 'Een Brief aan ons Nageslacht'. Op de foto keek een groep welgedane amerikanen in hemdsmouwen omhoog naar een grote, glanzende huls in de vorm van een torpedo, die verticaal boven hun hoofd hing en zodadelijk vijftien meter diep in de grond zou worden neergelaten. Pas over vijfduizend jaar zou de huls geopend mogen worden door het nageslacht, dat dan een indruk zou krijgen der menselijke beschaving ten tijde van de Wereldtentoonstelling te New York. In de huls van het ongelooflijke sterke 'cupaloy' zat een cylinder van vuurvast glas, gevuld met honderden voorwerpen: een microarchief, met daarin de stand van wetenschap, techniek en kunsten in tien miljoen woorden en duizend afbeeldingen, kranten, catalogi, beroemde romans, de Bijbel natuurlijk en het Onze Vader in driehonderd talen, boodschappen van grote mannen, maar ook filmopnamen van het verschrikkelijke japanse bombardement op Kanton in 1937, zaden, een stopcontact, een rekenliniaal en alle mogelijke andere dingen; zelfs een dameshoed, herfstmode 1938. Alle belangrijke bibliotheken en musea in de wereld hadden een oorkonde gekregen, waarop de plek van de met beton dichtgestorte 'eeuwige schacht' was aangegeven, opdat zij te vinden zou zijn in de zeventigste eeuw. Maar waarom, vroeg Anton zich af, moest er juist tot het jaar 6938 worden gewacht? Kon het niet al eerder  interessant zijn?

  'Papa? Hoe lang is vijfduizend jaar geleden?'
  'Precies vijfduizend jaar,' zei Steenwijk zonder van zijn boek op te kijken.
  'Ja, nogal wiedes. Maar was er toen al… ik bedoel…'
  'Zeg dan wat je bedoelt.'
  'Nou, dat de mensen, net als nu…'
  'Beschaving hadden?' vroeg zijn moeder.
  'Ja.'
  'Waarom laat je die jongen niet zelf formuleren?' vroeg Steenwijk en keek haar over zijn bril aan. En toen tot Anton: 'Die stond toen nog in de kinderschoenen. In  Egypte, en in Mesopotamië. Waarom vraag je dat?'
  'Omdat hier staat dat over -'
  'Klaar!' zei Peter en richtte zich op van zijn woordenboeken en grammatica's. Hij schoof het schrift naar zijn vader en kwam naast Anton staan. 'Wat lees je?'
  'Niks,' zei Anton en dekte met zijn bovenlichaam en gekruiste armen zijn boek af.
  'Laat dat, Tonny,' zei zijn moeder en duwde hem overeind.
  'Ik mag ook nooit bij hem kijken.'
  'Gelogen en gestonken, Anton Mussert,' zei Peter, -waarop Anton zijn neus dichtkneep en begon te zingen:

'Want als Pech ben ik geboren
En als Pech zal ik sterven ook…'

 
  'Zwijg!' riep Steenwijk en sloeg met zijn vlakke hand  op tafel.
  Dat hij Anton heette, net als de NSB-leider, daarmee werd hij natuurlijk vaak gepest. In de oorlog noemden fascisten hun zoons regelmatig Anton, of Adolf, soms zelfs Anton Adolf, zoals bleek uit trotse geboorteadvertenties met wolfsangels of runetekens er boven. Als hij later iemand ontmoette die zo heette, of die Ton of Dolf werd genoemd, dan schatte hij soms of hij in de oorlog geboren was, -zo ja, dan waren zijn ouders met mathematische zekerheid fout geweest, en niet zo'n beetje ook. Tien of vijftien jaar na de oorlog werd de naam Anton weer mogelijk, wat op Musserts onbeduidendheid wijst; met Adolf is het nooit in orde gekomen. Pas als er weer Adolfs verschijnen, zal de tweede wereldoorlog werkelijk achter de rug zijn; maar daarvoor is eerst de derde nodig, en dat wil dus zeggen, dat het voorgoed uit is met de Adolfs. Ook het liedje dat Anton bij wijze van tegenaanval zong, is zonder uitleg niet meer begrijpelijk: dat was de nasale deun van een radiokomiek, die onder de naam Peter Pech optrad toen men nog een radio mocht hebben. Maar nog veel meer is tegenwoordig onbegrijpelijk -vooral ook voor Anton zelf.

 
 
 
  'Kom eens naast mij zitten,' zei Steenwijk tot Peter, terwijl hij het schrift voor zich nam. Met gedragen stem begon hij zijn vertaling voor te lezen: '"zoals wanneer door regen en gesmolten sneeuw gezwollen rivieren, van het gebergte neerstromend, in een dalbekken hun geweldige watermassa, ontsprongen aan overvloedige bronnen, in hun holle bedding verenigen -en ver weg in de bergen hoort de herder hun dofdonderend gebruis: zo klonk het geschreeuw en de moeizame strijd der handgemeen rakende soldaten" … Wat is dat toch prachtig,' zei Steenwijk, terwijl hij achterover leunde en zijn bril even afnam.
  'Ja, reuze,' zei Peter. 'Vooral als je er anderhalf uur mee bezig bent geweest, met die rotzin.'
  'Die is ook een dag waard. Kijk toch eens hoe hij de natuur oproept, maar alleen zijdelings, in de vergelijking. Heb je dat opgemerkt? Wat je onthoudt zijn niet die vechtende soldaten, maar dat natuurbeeld -en dat is er nog steeds. Die veldslag is verdwenen, maar  die rivieren zijn er nog, die kun je nog steeds horen, en jij bent dan die herder. Het is net of hij wil zeggen, dat  het hele bestaan een vergelijking is van een ander verhaal, en dat het er om gaat, dat andere verhaal te weten te komen.'

  'Dat is dan wel de oorlog,' zei Peter. Steenwijk deed of hij het niet gehoord had.
  'Perfect gedaan, jongen. Op één klein foutje na. Het zijn niet "rivieren", die bij elkaar komen, maar "twee  rivieren".'
  'Waar staat dat dan?'
  'Hier: symballeton, dat is een dualis, het bij elkaar komen van twee dingen, twee. Pas dan klopt het ook met die twee legers. Dat is een vorm, die alleen bij Homerus voorkomt. Denk ook maar aan ''symbool", dat komt van symballo, "bijeenbrengen", "ontmoeten". Weet je wat een symbolon was?'
  'Nee,' zei Peter op een toon waaruit bleek, dat hij het ook niet wilde weten.
  'Wat is dat dan, pap?' vroeg Anton.
  'Dat was een steen, die ze doormidden sloegen. Stel, ik logeer in een andere stad en ik vraag mijn gastheer of hij jou ook eens wil ontvangen, -hoe weet hij dan, dat jij inderdaad mijn zoon bent? Dan maken we een symbolon, hij houdt de ene helft en thuis geef ik jou de andere. Als je daar dan komt, passen ze precies op elkaar.'
  'Die is goed!' zei Anton. 'Ga ik ook eens doen.'
  Kreunend wendde Peter zich af.
  'Waarom moet ik dat in godsnaam allemaal weten?'
  'Niet in gods naam,' zei Steenwijk, terwijl hij hem over zijn bril heen aankeek, 'in naam van de humanitas. Je zult zien, hoe veel plezier je daar je verdere leven van  hebt.'
  Peter sloeg zijn boeken dicht, maakte er een stapel van en zei met rare stem: 'Wie lacht niet, die de mens beziet.'
  'Waar slaat dat nu weer op, Peter?' vroeg zijn moeder. Met haar tong duwde zij de kruidnagel op zijn plaats.
  'Nergens op.'
  'Daar ben ik ook bang voor,' zei Steenwijk. 'Sunt pueri pueri pueri puerilia tractant.'
  De trui was verdwenen en mevrouw Steenwijk legde de knot wol in haar naaimand.
  'Kom, laten we een spelleje doen eer we naar bed gaan.'
  'Nu al naar bed?' zei Peter.
  'We moeten zuinig zijn met het carbid. We hebben nog maar voor een paar dagen.'
  Uit een la van de commode haalde mevrouw Steenwijk de doos Mens-erger-je-niet, schoof de lamp opzij en vouwde het speelblad uit.
  'Ik wil met groen,' zei Anton.
  Peter keek hem aan en wees op zijn voorhoofd. 'Denk je dat je dan eerder wint?'
  'Ja.'
  'Dat zullen we dan wel eens zien.'
  Steenwijk legde zijn boek geopend naast zich neer, en even later was er niets anders meer te horen dan het stuiteren van de dobbelsteen en de stappen van de pionnen over het karton. Het was bijna acht uur: spertijd. Buiten was het zo stil als het op de maan moet zijn.

1

 
Debían de ser las siete y media, ya noche cerrada. La salamandra había ardido suavemente un par de horas hasta consumir unos pocos leños, pero ahora volvía a estar fría. Estaba sentado con sus padres y Peter junto a la mesa de la sala posterior. En un plato había un cilindro de zinc del tamaño de un florero; de la parte superior del cilindro salía un tubo muy delgado, que se escindía al modo de una ípsilon, por los agujeros de cuyos extremos emanaban, oponiéndose entre sí, sendas llamitas puntiagudas, deslumbradoramente blancas. Aquel utensilio proyectaba su exánime luz por la estancia, en cuyas zonas oscuras se podía ver también ropa a secar llena de remiendos, cacharros de cocina, montones de camisas sin planchar, una marmita noruega para mantener caliente la comida. Asimismo había allí dos clases de libros procedentes del gabinete de estudio del padre: los que estaban colocados encima del bufete eran para ser leídos, los que estaban en el suelo, en cambio, un montón de novelitas, estaban destinados a encender la pequeña estufa en que se cocinaba, cuando había algo que cocinar. Los periódicos habían dejado de aparecer hacía meses. Salvo dormir, la vida hogareña se desarrollaba exclusivamente en aquel aposento, el antiguo comedor. Las puertas corredizas estaban cerradas. Detrás de ellas, en la parte que daba a la calle, estaba la sala de estar en la que no habían puesto los pies en todo el invierno. Para impedir en todo lo posible que penetrara el frío del exterior, las cortinas de los ventanales de aquella sala se mantenían corridas, incluso durante las horas diurnas, de suerte que desde el muelle parecía que la casa estaba deshabitada.

   Corría el mes de enero de 1945. Casi toda Europa estaba liberada de la ocupación nazi, celebraba fiestas, comía, bebía, hacía el amor y poco a poco había empezado ya a olvidar la guerra. Haarlem, en cambio, se iba convirtiendo cada vez más en una carbonilla grisácea, como la que se sacaba de la estufa cuando aún había carbón.

   Su madre tenía delante de sí, sobre la mesa, un jersey de color azul oscuro. La mitad del mismo ya había desaparecido. En su mano izquierda sostenía la bola de lana cada vez más voluminosa, en la que, con la mano derecha, iba envolviendo rápidamente el hilo procedente del jersey. Anton miraba el raudo ir y venir del hilo, a resultas de lo cual el jersey iba desapareciendo; mejor dicho, lo que desaparecía era su forma, que, conservando aún las mangas extendidas, como alguien que quisiera oponerse a algo, iba convirtiéndose en ovillo. Cuando su madre lo miró un instante esbozando una sonrisa, volvió a dirigir la vista al libro. Los cabellos rubios de la mujer estaban sujetos en trenzas enroscadas sobre sus orejas, a la manera del tocado de la Dama de Elche. De cuando en cuando se detenía y bebía un sorbo de un té sucedáneo, ya frío, que ella misma había hecho con la nieve que cubría el jardín posterior. Las tuberías del agua no estaban todavía cerradas, cierto, pero se habían quedado heladas. Su madre tenía una caries en una muela, en la que de momento nada podía hacerse; exactamente como solía hacer su abuela, se había metido en el agujero, para combatir el dolor, un clavo de especia, de los tres o cuatro que aún había podido encontrar en la cocina. La postura erguida de su madre contrastaba con la de su padre, profundamente inclinado sobre el libro que estaba leyendo. Su cabello oscuro, ya encanecido, rodeaba la calva coronilla como una herradura; de cuando en cuando se soplaba las manos, grandes y zafias, aunque no era un obrero manual, sino actuario del juzgado de instrucción.

   Anton llevaba ropas que le habían quedado pequeñas a su hermano; éste, Peter, vestía a su vez un traje negro de su padre, que le venía grande. Peter tenía diecisiete años y, debido a que se había puesto a crecer de pronto cuando faltaba cada vez más la comida, parecía que su cuerpo estaba compuesto de listones de madera de pino blanco. En aquellos momentos se aplicaba a hacer sus deberes escolares. Desde hacía un par de meses había dejado de salir a la calle: poco a poco había ido alcanzando la edad de convertirse en víctima de las razzias que se hacían para engrosar los campos de trabajo de Alemania. Como le habían suspendido dos veces consecutivas, ahora estaba haciendo todavía el cuarto curso de bachillerato y le daba clases el padre, con deberes y todo, no fuera que se retrasase aún más. Los hermanos se parecían tan poco entre sí como poco se parecían entre sí sus padres. Hay cónyuges que son el vivo retrato el uno del otro, lo cual responde acaso a que la mujer se parece a la madre del marido y el marido al padre de la mujer (o algo más complicado, que es lo más probable), pero el caso es que la familia Steenwijk constaba de dos partes perfectamente diferenciadas: Peter tenía los cabellos rubios y los ojos azules de su madre, Anton los cabellos oscuros y los ojos castaños de su padre, también la misma tez de color amarronado, algo más acentuado alrededor de los ojos. Tampoco él mismo iba a la escuela por el momento. Hacía el primer curso de bachillerato, pero a causa de la falta de carbón, las vacaciones de Navidad se habían prolongado hasta que terminara el período de las heladas.

   Tenía hambre, pero sabía muy bien que iba a tener que esperar hasta la mañana siguiente para que se le diera otra vez una rebanada de pan de color plomizo, mal cocido, untado con una especie de mermelada de remolacha. Al mediodía había estado esperando una hora en la cola de delante de la cocina central del parvulario. Empezaba ya a oscurecer, cuando entró en la calle el carretón de mano con los peroles, protegido por un agente de policía con el fusil en bandolera. Una vez le hubieron controlado y marcado las cartillas de racionamiento, le pusieron cuatro cazos de una sopa muy líquida en la olla que había llevado al efecto. Al atravesar los pequeños bancales, de regreso a su casa, bien poco había chupeteado de aquel calducho caliente y ácido. Por fortuna era ya casi la hora de acostarse. En sus sueños gozaba siempre de paz.

   Nadie decía nada. En el exterior reinaban asimismo el silencio y la quietud. La guerra estaba allí y estaría allí siempre. No tenían radio, ni teléfono, nada. Las llamitas susurraban; de cuando en cuando producían una ligera detonación. Con una bufanda en torno al cuello, los pies metidos en un folgo que le había hecho su madre de una vieja bolsa de punto para la compra, estaba leyendo un artículo de la revista «Naturaleza y Técnica». El día de su cumpleaños le habían regalado los números correspondientes a 1938, encuadernados, adquiridos por su padre de segunda mano. «Carta a la Posteridad». En la foto un grupo de norteamericanos de buen ver, en mangas de camisa, levantaba la vista hacia un reluciente objeto metálico, de grandes proporciones, en forma de torpedo, que colgaba verticalmente sobre sus cabezas e iba a ser arriado muy pronto para sepultarlo en la tierra a quince metros de profundidad. Sólo cuando hubieran transcurrido quince mil años podría abrirse la enorme cápsula metálica, cuyo contenido proporcionaría a la posteridad una idea de lo que había sido la civilización humana en los días de la celebración de la Exposición Internacional de Nueva York. En la cápsula, hecha con la aleación cupaloy, increíblemente sólida, había un cilindro de vidrio, a prueba de fuego, lleno de centenares de objetos: un archivo de microfilms, en el que se daba cuenta del estado de la ciencia, de la técnica y de las artes mediante diez millones de palabras y mil imágenes; periódicos, catálogos, novelas famosas, la Biblia, por supuesto, y el Padrenuestro en trescientas lenguas, mensajes de grandes personalidades, pero también escenas filmadas del espantoso bombardeo japonés de Cantón en 1937, semillas, un enchufe, una regla de cálculo y otras muchas cosas de muy diversa índole; incluso un sombrero de señora, moda de otoño de 1938. Todos los museos y bibliotecas importantes del mundo habían recibido un documento en el que se indicaba el lugar donde estaba enterrado en hormigón «el tesoro eterno», para que pudiera encontrarse en el siglo LCC. Pero, ¿por qué ―se preguntaba Antonhabía que esperar precisamente hasta el año 6.938? ¿No podía ser interesante ya antes?

   ―Papá, ¿cuánto tiempo es hace cinco mil años?
   ―Exactamente cinco mil años― contestó Steenwijk sin levantar la vista del libro.
   ―¡Sí, claro…! Pero ya había entonces… quiero decir…
   ―¿Qué quieres decir, vamos a ver?
   ―Pues que si la gente, como ahora...
   ―¿Tenía civilización?― preguntó su madre.
   ―Sí.
   ―¿Por qué no dejas que el chico lo diga a su manera? ―intervino Steenwijk, mirando a su hijo por encima de las gafas. Y luego, dirigiéndose al muchacho―: Entonces la civilización todavía estaba en mantillas. En Egipto, en Mesopotamia. ¿ Por qué lo preguntas?
   ―Porque aquí dice que «dentro de... »
   ―¡Listos!― exclamó Peter poniéndose de pie y apartándose de sus diccionarios y de sus gramáticas. Luego entregó a su padre el papel que había escrito y fue a situarse junto a Anton.
   ―¿Qué lees?
   ―Nada― dijo Anton, cubriendo su libro con la parte superior  de su cuerpo y los brazos cruzados.
   ―Déjalo, Toni― le reconvino su madre empujándolo hacia arriba.
   ―Tampoco a mí me deja mirar nunca lo que él lee.
   ―¡Mentira podrida, Anton Mussert! ―dijo Peter, ante lo cual  Anton se sujetó la nariz con índice y pulgar y se puso a canturrear―:

«Pues si nací con mala suerte
con mala suerte he de morir…»

   ―¡Cállate!― gritó Steenwijk golpeando la mesa con la palma  de la mano.
   El que se llamara Anton, como el jefe del Partido Nazi Holandés, era motivo, claro está, de que con frecuencia fuera objeto de escarnio. Durante la guerra los fascistas solían ponerles a sus hijos el nombre de Anton, o el de Adolfo, y a veces, incluso, el de Anton-Adolfo, como proclaman las ufanas participaciones de nacimiento correspondientes, adornadas con cruces gamadas y otros signos rúnicos. Cuando, en el curso posterior de su vida, le presentaban a alguien con nombres así, aunque se les llamara Ton o Dolf, calculaba si habían nacido durante la guerra y, en caso afirmativo, podía asegurarse con matemática precisión que sus padres habían sido colaboracionistas y, además, no poco. Diez o quince años después de la guerra volvía a ser posible llamarse Anton, lo cual venía a subrayar la insignificancia de Mussert; en cambio, Adolfo quedó desterrado para siempre. Sólo cuando vuelvan a aparecer los Adolfos podrá decirse que la II Guerra Mundial habrá pasado definitivamente a la historia; pero como para eso será necesario que estalle la tercera, está claro que ya nunca más se le ocurrirá a nadie echar mano al infamante nombre de Adolfo. Tampoco la tonadilla que Anton se puso a cantar a modo de contraataque se comprende ya sin la debida explicación: era el canturreo nasal de un cómico de la radio que actuaba con el seudónimo de Peter Malasuerte, cuando aún se permitía tener radio. Pero aún es mucho más incomprensible en la actualidad, en especial para el propio Anton.

   ―Ven a sentarte a mi lado ―dijo Steenwijk a Peter, mientras tomaba el papel que antes éste le había dado. Con acento algo solemne se puso a leer en voz alta la traducción del griego―: «De la misma manera que cuando los ríos, henchidos por la lluvia y la nieve derretida, precipitándose desde lo alto de la cordillera, reúnen sus enormes masas de agua en los lechos de los arroyuelos del valle alimentados por rebosantes manantiales ―y allá a lo lejos, en las montañas, el pastor oye su estruendo ensordecedor: así sonaba el griterío y el arduo combate de los soldados enzarzados en una lucha cuerpo a cuerpo…».
   ―¡Espléndido!― exclamó Steenwijk, reclinándose hacia atrás y quitándose las gafas.
   ―Sí, formidable ―apostilló Peter―, sobre todo cuando se ha estado hora y media ocupado en descifrar esa maldita frase.
   ―Vale la pena invertir en ella todo un día. Advierte cómo invoca a la Naturaleza, pero sólo lateralmente, recurriendo al símil, ¿te has dado cuenta? Lo que retienes no son los soldados en lucha, sino la imagen de la Naturaleza y eso es lo que permanece. El campo de batalla ha desaparecido, pero esos ríos existen todavía, puedes seguir oyéndolos, y tú eres el pastor. Es como si el autor quisiera decir que la totalidad de la existencia no es otra cosa sino la comparación con otro relato y de lo que se trata es de que te enteres de ese otro relato.

   ―Es decir, la guerra ―dijo Peter.
   Steenwijk hizo ver que no había oído.
   ―Lo has hecho muy bien, muchacho, salvo una pequeña falta: no son «ríos», simplemente, los que confluyen y entremezclan  sus aguas, sino «dos ríos».
   ―¿Dónde pone eso?
   ―Aquí symballeton, es un dual, la concurrencia de dos cosas, dos. Sólo así el símil se corresponde con los dos ejércitos que entrechocan. Es una forma que sólo aparece en Homero. Piensa en «símbolo», que procede de symballo, «juntar»,  «encontrarse». ¿Sabes lo que es un símbolo?
   ―No ―dijo Peter en un tono del que se desprendía que  tampoco le importaba demasiado saberlo.
   ―¿Qué es, papá?― preguntó Anton.
   ―Era una piedra que se partía en dos. Imagínate: yo me alojo en la casa de un amigo de una ciudad distinta de la nuestra y le pido a mi anfitrión que en lo sucesivo tenga la amabilidad de acogerte también a ti, cuando otro día vayas tú a aquella misma ciudad; ¿cómo sabrá, al llegar tú, que eres efectivamente mi hijo? Para que lo sepa recurrimos al símbolo: él retiene una mitad del mismo y en casa yo te doy a ti la otra mitad. Al llegar tú a la casa del huésped, las dos mitades encajan entre sí a la perfección.
   ―¡Estupendo! ―exclamó Anton―. ¿Por qué no lo hacemos?
   Peter se volvió de espaldas y con acento algo desabrido soltó:
   ―¿Por qué diablos he de saber yo todo eso?
   ―Nada de diablos ―dijo Steenwijk, mirándole por encima de las gafas con un atisbo de severidad―. Has de saberlo por mor de la Humanidad. Ya verás cómo en el resto de tu vida hallarás en ello motivo de contento y satisfacción.
   Peter cerró sus libros, los amontonó y dijo en tono algo extraño:
   ―¡Valiente ridiculez!
   ―¡Peter! ―reprobó su madre― ¿A qué viene eso?
   Con la lengua colocó el clavo de especia en su sitio.
   ―A nada.
   ―Mucho me lo temo ―dijo Steenwijk―. Sunt pueri pueri pueri puerilia tractant.
   El jersey había desaparecido y la señora Steenwijk depositó  la bola de lana en su costurero.
   ―¡Hala! Vamos a jugar un poquito antes de ir a la cama.
   ―¿A la cama ya? ―se extrañó Peter.
   ―Hemos de ahorrar carburo. Ya sólo nos queda para dos días.
   De un cajón de la cómoda la señora Steenwijk sacó un tablero de parchís, apartó la lámpara y lo puso sobre la mesa.
   ―Yo quiero las verdes ―dijo Anton. Peter lo miró y le señaló la frente.
   ―¿Crees que te ayudarán a ganar?
   ―Sí.
   ―Ya lo veremos.
   Steenwijk dejó el libro abierto a un lado y al poco rato no se oía otra cosa sino el ruidito de los dados saltando sobre el vidrio del tablero y el roce de las fichas avanzando sobre la superficie del mismo. Eran las ocho de la noche: toque de queda. En el exterior el silencio era tan profundo como el que debía de reinar en la luna.

De Aanslag – film van Fons Rademakers

De Aanslag
(filmscript - tot minuut 14)

Ver, ver weg in de Tweede Wereldoorlog
woont een zeker Anton Steenwijk, met zijn ouders
en zijn broer Peter…
aan de rand van Haarlem.
Het is januari 1945.
Bijna heel Europa is al bevrijd
viert feest, eet, drinkt
en bedrijft de liefde.
Maar hier in Haarlem
is het nog volop oorlog.
En winter.
De hongerwinter.
Wat breng je altijd veel pieren!
- Van mijn vogelkerkhof.
Alle dooie vogels die ik vind
begraaf
ik altijd. [Zo zielig!]
Opendoen!
Ik heb mijn handen vol.
En wat je bij Moeder Natuur erin stopt,
komt er ook weer uit. [-Ja.]
De trapleuning en de deur
van de logeerkamer.
Het hele huis gaat eraan.
Mijn vader stookt de kachel met romans.
Wat ‘t zwaarst is moet ‘t zwaarste wegen.
Anton, je vergeet de gaarkeuken.
-Hé, gedver. Laat Peter nou eens.
Peter kan niet.
Als er onverwachts een razzia is...
Dan gaan we samen, goed?
Ik moet toch ook.
Ik heb wel geen dienst, maar
het maakt indruk op de mensen.
Dag, meneer Aarts.
Dag, mevrouw.
Karin, Tony, wacht.
Wachten jullie even?
Wat lopen jullie hard.
[Zeg,] vind je het erg als ik even meeloop?
[Ze slaan je tegenwoordig toch dood
voor een half brood!]
-Natuurlijk niet, mevrouw.
Geef me uw tas maar, mevrouw.
[Zeg,] daar loopt dat mens van Aarts
met d’r man.
Ze behandelen je altijd als oud vuil.
-Een beetje wel, ja.
Zeker omdat die in verzekeringen doet.
Stel toch wat voor: verzekeringen in de oorlog!
Dag, mevrouw Aarts. Dag, meneer.
Mooi weer, hé? Voor januari.
En eerst roeren. Ik wil ook wat
van het dikke van onderop.
-Natuurlijk, zuster.
En m’n buren hetzelfde recept.
Ik wou dat je elke dag meeging.
Hé, jongens. Maak dat je wegkomt!
Zijn jullie allemaal bedonderd?
Stelletje viezerieken!
Zag je nou hoe ze me groetten,
die Aartsen?
Kouwe kak!
Hé, dat is je vriendje.
Hoi, Anton!
Hoi Fake!
Zeg, ken jij die?
Ken jij die schoft?
Die Ploeg, dat is de schofterigste
mordenaar van heel Haarlem.
En die groet jij, Tony?
Ik zei alleen maar gedag tegen Fake.
Die zit bij me in de klas.
Jij lust vast wel een ‘kaakje’!
-Ja, alstublieft, meneer Beumer.
Nog zelf gebakken van bonenmeel.
Van Mina Bakgraag.
Lekker?
Is het Kerstvakantie al lang?
- De school is dicht. Kolenschaarste.
Nou, dat vind je vast niet erg!
Dag!
-Dag!
Moet je dit horen: ‘Op de wereldtentoonstelling
in New York is een cilinder begraven
met een volledig overzicht
van onze techniek.
Zoals het ‘Onze vader’ in 300 talen,
filmopnamen, romans
en een dameshoed, mode van 1938.
De cilinder zal pas over 5000 jaar
weer worden geopend.
Dat is in 6983, papa.
-Hadden ze die Homerus maar begraven.
Dat rot vertalen!
Zulke taal wens ik niet te horen.
Ik vind dat heel verstandig, Tony.
Dan zullen de mensen van 6938
veel beter hun heden begrijpen.
Wie zijn verleden niet kent,
begrijpt zijn heden niet.
Onthou[d] dat, Tony.
Kunnen we? D’r is gedekt.
Niet zo vlug! En kauwen,
dan heb je er het meeste aan.
Wat heb je, mam?
-Wat is er, kind?
Een knoop!
Geeneens van been. Zelfs de knopen
in de soep deugen niet.
Doet het pijn, mam?
Mijn kroon is gebroken.
En geen tandarts meer
die daar wat aan kan doen.
Wat doe je?
-Ik stop er een kruidnagel in.
Dat neemt de pijn weg.
Dat weet ik nog van m’n grootmoeder.
[‘t] Helpt direct, jongens!
Als we nu even afeten,
kunnen we nog straks een spelletje doen.
Tot morgen.
(de)Zelfde plaats, (de)zelfde tijd,
(het)zelfde niks.
Peter, je vertaling.
‘Zoals wanneer door regen
en gesmolten sneeuw
gezwollen rivieren…
van het gebergte neerstromend…
in een dalbekken
hun geweldige watermassa…
ontsprongen aan overvloedige bronnen…
in hun holle bedding verenigen
en ver weg in de bergen hoort de herder…
hun dofdonderend gebruis…
zo klonk het geschreeuw
en de moeizame strijd
der handgemeen rakende soldaten’.
Wat is dat toch prachtig!
-Ja, reuze!
Vooral als je d’r al anderhalf uur mee bezig
bent geweest
, met die rot vergelijking.
Dat besef je nog niet.
Een klassieke opleiding.
Daar zul je je hele verdere leven
wat aan hebben, Peter.
Op wat kleinigheden na:
perfect.
‘Wie lacht niet, die de mens beziet’.
Waar slaat dat weer op, Peter?
-Nergens op.
Sunt pueri pueri pueri puerilia tractant.
[-Dat heb ik gehad!]
‘Kinderen zijn kinderen en
kinderen doen kinderachtig’.
Zullen we nog een spelletje
voordat we naar bed gaan? -Ja.
-Nou naar bed? Het is niet eens spertijd.
We moeten zuinig zijn met het carbid.
-Ik wil met groen.
Denk je dat je dan eerder wint?
-Ja.
Nou, dat zullen we dan wel eens zien.
Nou, spelen we nog?
Gooien wie het eerst begint.
-Ikke!
Ze hebben iemand neergeschoten,
daar ligt iemand!
Peter, hier. Blijf hier!
Het is Ploeg, Fake Ploeg!
Tony, kom bij dat raam vandaan!
Hartstikke dood, als je het mij vraagt.
-Ploeg?
Kijk nou eens!
Godverdomme!
Hé, een beetje minder kan ook wel.
Die Ploeg moet wel weg,
anders nemen ze ons te grazen.
Maar we hebben toch niks gedaan!
-En dat kan ze wat schelen!
Peter, wat wou je doen?
-Bij mevrouw Beumer leggen.
Dat oude wijf liever dan wij.
-Hoe durf je?
En waarom wel bij ons?
-Zeg jij dan toch wat, Willem.
Een paar seconden later
en hij had bij haar gelegen.
Ja, maar dat is niet het geval.
Niet het geval! Het was toch niet het geval
dat hij hier lag en toch is dat nu het geval!
En ik ga hem terugleggen!
Peter, in Godsnaam! Je speelt met je leven!
Ik niet, jullie! ...

 

The Assault
(filmscript - until minute 14)

Far into the Second World War...
live Anton Steenwijk, his parents
and his brother Peter...
on the edge of Haarlem.
It's January 1945.
Almost all of Europe is liberated...
celebrating, eating, drinking
and making love.

But here in Haarlem
it's still war.
And winter.
The winter of starvation.
You always bring so many earthworms.
- From my bird cemetery.
I bury all the dead birds
that I find.
Open it.
I have my hands full.
What you put into Mother Nature,
you will also get back.
The banisters and the door
of the visitor's room.
The whole house will go.
My dad stokes the stove with novels.
The heavy ones should weigh the most.
Anton, you're forgetting the soup kitchen.
- Oh, yuck. Let Peter do it for a change.
Peter can't do it.
Imagine if there's a sudden raid.
We will go together, alright?
I have to go anyway.
I may not be on duty, but
it impresses people.
Hello, Mr. Aarts.
Hello, Madam.
Karin, Tonny, wait up.
Can you hold up for a moment?
You sure walk fast.
Do you mind if I walk with you?
 
 

- Of course not, Madam.
Then allow me to carry your bag, Madam.
There walks the Aarts woman
with her husband.
They always treat you like dirt.
- A little, yes.
Surely because he's in insurance.
That doesn't amount to anything in a war.
Hello, Mrs. Aarts. Hello, Sir.
Nice weather, isn't it? For January.
Stir first. I want some of that
thick stuff from the bottom.
- Of course, nurse.
And for my neighbours the same recipe.
I wish you'd go with us every day.
Hey, boys. Get out of there.
Are you mad?
Bunch of slobs.
Did you see how they greeted me,
those Aartsen?
Pathetic.

Hey, it's your friend.
Hello, Anton.
Hello, Fake.
Say, do you know him?
Do you know that bastard?
That Ploeg is the beastliest
killer of whole Haarlem.
And you are greeting him, Tonny?
I only greeted Fake.
He's in my class.
Would you like a biscuit?
- Yes please, Mr. Beumer.
Home-baked from bean flour.
By Mina Bakgraag.
Do you like it?
Do you still have vacation?
- The school is closed. Coal scarcity.
I'm sure you don't have a problem with that.
Bye.
- Bye.
Listen. 'At the World Exhibition
in New York, a cylinder was buried...
containing a complete summary
of our technology.
Such as the Lord's Prayer,
movie sequences, novels
and a 1938 lady's hat.

The cylinder will be opened again
in 5000 years.'
That's in the year 6938, dad.
- I wish they'd buried that Homer
along with it. The damn translating.
I don't want to hear you say such things.
I think that's sensible.
Then the people of 6938 will understand
their present day much better.
Those who don't know their past,
don't understand their future.
Remember that, Tonny.
Can we? The table is set.
Not so quick. And chew,
that's the best for you.
What's wrong, mom?
- What is it, dear?
A button.
Not even made of bone. Even the buttons
in the soup aren't any good.
Does it hurt, mom?
The crown is broken.
No dentist anymore
who can do anything about it.

What are you doing?
- I'm putting in a clove.
It takes away the pain.
I remember that from my grandmother.
It helps right away, boys.
If we'll just finish our meal,
we can play a game later on.
See you tomorrow.
Same place, same time,
same nothing.
Peter, your translation.
‘As when through rain
and melted snow-

swollen rivers...
streaming down from the hills...
into a valley cavity
their tremendous mass of water...
originating from abundant sources...
join in their hollow bed...
and far away in the mountains, the herdsman
hears their dim-thundering roaring...
That's how the screaming sounded...
and the laborious battle of soldiers
getting in a fight’.
How beautiful.
- Yes, very.
Especially if you work on it for 1.5 hours.
 

You don't realize that yet.
A traditional education.
It will be of use to you for
the rest of your life.
With the exception of some small matters:
Perfect.

Wie lacht niet, die de mens beziet.
What does that refer to?
- Nothing.
Sunt pueri pueri pueri puerilia tractant.
 
'Children are children, and

children do childish things.'
We will go to bed soon.

 
- It's not even curfew yet.

We don't have a lot of carbid anymore.
- I want green.
You think you will win sooner then?
- Yes.
We will see about that.
- Well, are we still playing?
Let's throw and see who starts.
- Me.
Someone is shot.
 
- Peter, here. Stay here.

It's Fake Ploeg.
- Tonny, move away from that window.
Dead as a doornail, if you ask me.
- Ploeg?
Look.
Goddammit.
- Hey, calm down a little.
The Krauts will get us now.
 
We didn't do anything.

- They don't care.
What are you going to do?
- Put him at Mrs. Beumer.
Better the old woman than us.
- How dare you?
Why should he lay at our place then?
- You say something, Willem.
A few seconds later
and he would have laid at her place.
Yes, but that's not the case.
He wasn't laying here either,
yet that's the case now.
I'm gonna put him back.
- You're playing with your life.
Not me, you.

De Aanslag (film) – Trailer (1 min.)

De Aanslag – Trailer (2 min.)

Harry Mulish durante algunas tomas de la película ‘El atentado’

Samenvatting van ‘De Aanslag’ (De Alphaman)

De aanslag – Elize van Seventer

Oscar 1986 aan ‘De Aanslag’ (van Fons Rademakers)

Harry Mulisch overleden

Submit a Comment

Tu dirección de correo electrónico no será publicada. Los campos obligatorios están marcados con *