Cees Nooteboom III (2017)

Cees Nooteboom, 2016 Mooniksoog. Amsterdam: Karaat, 2017 Ojo de Monje. Madrid: Visor, 2018. Tr. Fernando García de la Banda Drie gedichten uit de laatste poëziebundel van Cees Nooteboom: Monniksoog. Amsterdam: Karaat, 2017.  1  Een moeizame god op de rand van mijn bed, zes engelen met vermoeide vleugels, windkracht 10 en tegen de wind in gevlogenover het wad, storm op zee. In de nacht zie ik de lichten van de overkant, kijk naar de engelen die mij lijken te kennen,mijn deken willen lenen                                             en eigenlijk ook het bed waarin ik toch niet kon slapen. De god lijkt op de kapitein van de veerboot, de konijnen die ik in het donker zag lopen waren bang voor de jager, de vuurtorenviel met zijn licht door de kamer, maar verder was alles in orde.    2   Op het duinpad kwam ik mijn moeder tegen, maar zij zag mij niet. Zij praatte tegen een andere dame, en ik hoorde haar zeggen, iedereenvindt mij hier aardig. Dat zij echt was wist ik door het geluid van het schelpengruis onder haar voeten.Daarna zag ik ook mijn broer en mijn halfbroer onderweg met hetzelfde verleden als het mijne, chaos en onrust. De Noordzee                                                        had wilde koppen,het strand was verlaten. Mijn broers                                                       waren doorzichtig.Ik zag het pad door ze heen.                        Nu zou ik een schat willen vinden, een aangespoelde walvistand, of goud, waardoor alles weer goed kwam.   3   Niet in ieders leven speelt een vuurtoren een rol, maar wel in het mijne. Vandaag op dit andere eiland naar de toren gelopen, regen, geschreeuwvan meeuwen. ’s Nachts mocht ik bij de wachter zitten, die deed of hij nog bestond. Hij schreef het op, een schip om de Noord, de windkracht. En ik...

[VL] Paul van Ostaijen IV – ‘Alpejagerslied’ (1928)

Dit gedicht werd het eerst gepubliceerd in Avontuur, 1ste jrg., nr. 1, februari 1928, blz. 4. Este poema se publicó por primera vez en la revista Avontuur, año 1, nº. 1, febrero de 1928, p. 4. Paul van Ostaijen – Alpejagerslied                                                         Voor E. du Perron   Een heer die de straat afdaalt een heer die de straat opklimt twee heren die dalen en klimmen dat is de ene heer daalt en de andere heer klimt vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx      van de beroemde hoedemakers treffen zij elkaar de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand dan gaan de ene en de andere heer de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende de rechtse die daalt de linkse die klimt dan gaan beide heren elk met zijn hoge hoed zijn eigen hoge hoed      zijn bloedeigen hoge hoed elkaar voorbij vlak vóór de deur van de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers dan zetten beide heren de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende eenmaal elkaar voorbij hun hoge hoeden weer op het hoofd men versta mij wel elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd dat is hun recht dat is het recht van deze beide heren Paul van Ostaijen – Canción del cazador alpino                                                   Para E. du Perron   Un señor que baja la calle un señor que sube la calle dos señores que bajan y subenes decir un señor baja y el otro señor sube justo ante la tienda de Hinderickx y Winderickx justo ante la tienda de Hinderickx y Winderickx     de los...

Frank Martinus Arion – Dubbelspel

Frank Marinus Arion (Curaçao, 1936-2015) Dubbelspel, novela de 1973 Nueva edición de Dubbelspel, con fotograma de la película de 2017 Changá, traducción al papiamento Double Play, traducción al inglés Carátula de la película Dubbelspel (2017) Carátula de Double Play, versión inglesa de la película Frank Martinus Arion (pseudoniem van Frank Efraim Martinus) is in 1936 geboren op Curaçao. Hij verhuisde in 1955 naar Nederland, waar hij aan het Instituut voor Neerlandistiek studeerde en later werkte. Sinds 1981 woont hij weer op Curaçao, waar hij directeur is van het Taalbureau, een instelling die de erkenning van het Papiamento wil bevorderen. Arions werk bestaat uit poëzie, essays, verhalen en romans. Na Dubbelspel (1973, Lucy B. & C.W. van der Hoogt Prijs) schreef Arion nog drie romans: Afscheid van de koningin (1975), Nobele wilden (1979) en De laatste vrijheid (1995). Voor Arion is de primaire functie van literatuur: de lezer kritische kennis verschaffen van de werkelijkheid. Dubbelspel heeft dan ook de koloniale verhouding tussen Nederland en de Antillen als basis. Tegelijk wil Arion "de mensen zó boeien dat hun eten aanbrandt": hij schrijft spannende, hecht geconstrueerde politieke thrillers. In Dubbelspel vertegenwoordigen de zes hoofdpersonen de lagere klassen uit de Antilliaanse bevolking. In de loop van het verhaal wordt winnen of verliezen een zaak van leven en dood, gesymboliseerd door het dominospel dat de personages spelen. Het optimistisch einde weerspiegelt de toekomstvisie van de auteur: de winnaars - een idealistisch liefdespaar - gaan zich wijden aan de sociale en politieke verbetering van hun eiland Curaçao. De schijnbare rust die de vier dominospelers in het Curaçaose dorpje Wakota omgeeft, wekt de indruk dat het in Dubbelspel om niets anders dan een dominospel gaat. Maar wat een pastorale leek, blijkt plotseling een strijd op leven...

[NL/VL-E] Gedichten over een beeld (Poemas sobre una imagen)

Willy Ronis - Le petit Parisien (1952) Stefan Hertmans (Gent, 1951 – )Le petit Parisien(Willy Ronis, 1952) Japans tekent een oorlogszonZijn rennend lijfjeIn vluchtig beton - Waar hij voorbijrent is mijnPas begonnen leven bovenDe grond gaan zweven En het stokbrood,Haast zo groot als hij,Wijst hem de weg naar mij. Hij draagt het broekje met te grote knopenDat ik ken, het hemdje dat naar kind-zijnRuikt, en zo, geboren na ontelbaar stervenNet tevoren,Rent hij mijn adem in. Hij komt thuis,Klopt op mijn deur,Gaat zitten waar ik zitEn schrijft dat broodGeen heden is. Ik voed hem nu,Met kruimels van een beeld,Zodat hij van mijn vingers eet. (2003) Stefan Hertmans (Gante, 1951 – )Le petit Parisien(Willy Ronis, 1952) Al modo japonés dibuja un sol de guerrasu cuerpecito que correen hormigón fugaz; por donde él pasa corriendo,mi vida, recién estrenada,ha echado a flotar sobre el suelo y la baguette,casi tan grande como él,le indica el camino hacia mí. Lleva el pantalón de los botones grandesque conozco, la camisa que huele a niñez,y así, nacido tras incontables muertestan recientes,se adentra corriendo en mi aliento. Él llega a casa,llama a mi puerta,se sienta donde estoy sentadoy escribe que el panno es cosa de hoy. Ahora lo alimentocon migas de una imagen,para que de mi mano coma. Ricard Terré - de la serie ‘Semana Santa’ (1957) Cees Nooteboom (Den Haag, 1933 – )Kaars Hij met zijn matrozenpak en de lange,gebroken kaars. Zijn witte sokjes,de witte schoenen van zijn moeder,de lus van zijn veter. Daaronder grond, aarde, bodem, dezelfde van altijd.Op liggen, onder liggen, witte handschoenen,toortsen, en de andere schoenen,glimmend, zwart, in de rouw. Onvergetelijk, de breuk in de kaars,het witte vet geknakt, hangend aan de lont,noodlot, nog altijd geldig. Haar hand,haar gouden armband. Zijn matrozenkraag, blauw, op...

[NL/VL-E] Losse gedichten (Poemas sueltos)

Martinus Nijhoff (Den Haag, 1894-1953) 'Het derde land' (1924)   Zingend en zonder herinnering Ging ik uit het eerste land vandaan, Zingend en zonder herinnering Ben ik het tweede land ingegaan,O God, ik wist niet waarheen ik gingToen ik dit land ben ingegaan. O God, ik wist niet waarheen ik gingMaar laat mij uit dit land vandaan,O laat mij zonder herinnering En zingend het derde land ingaan. Martinus Nijhoff (La Haya, 1894-1953)'El tercer país' (1924) [traducción ± literal] Cantando y sin recuerdospartí del primer país, cantando y sin recuerdos llegué al segundo país,oh Dios, no sabía a dónde ibaal llegar a este país. Oh Dios, no sabía a dónde ibamas déjame salir de este país,oh deja que sin recuerdos y cantando llegue al tercer país. Martinus Nijhoff – ‘Het derde land’ – Antoine Oomen en Mariette Oelderik Hans Andreus (Amsterdam, 1926-1977) ‘Voor een dag van morgen’ (1959) Wanneer ik morgen doodga, vertel dan aan de bomen hoeveel ik van je hield. Vertel het aan de wind, die in de bomen klimt of uit de takken valt, hoeveel ik van je hield. Vertel het aan een kind, dat jong genoeg is om het te begrijpen. Vertel het aan een dier, misschien alleen door het aan te kijken. Vertel het aan de huizen van steen, vertel het aan de stad, hoe lief ik je had. Maar zeg het aan geen mens. Ze zouden je niet geloven. Ze zouden niet willen geloven dat alleen maar een man alleen maar een vrouw, dat een mens een mens zo liefhad als ik jou. Hans Andreus (Ámsterdam, 1926-1977) ‘Para un día de mañana’ (1959) Cuando mañana muera, cuéntale a los árboles cuánto te amé yo a ti. Cuéntalo al viento, que trepa por los árboles...

Cees Nooteboom II (1993)

  Autorretrato de otro: Sueños de la isla y la ciudad de antaño (2013) Tres imágenes de Max Neumann, de Autorretrato de otro. Cees Nooteboom. Autorretrato de otro - Sueños de la isla y la ciudad de antaño. Madrid, Calambur, 2013.  Traducción de Fernando García de la Banda, revisión del autor. Edición bilingüe con 33 prosas poéticas, y 33 imágenes de Max Neumann. Título original: Zelfportret van een ander - Dromen van het eiland en de stad van vroeger. > Enlace al pdf de la ‘Nota a la Traducción’Nota a la traducción - Cees Nooteboom. Autorretrato de otro - Sueños de la isla y la ciudad de antaño. Madrid, Calambur, 2013. I Het is laat in het jaar, hij is alleen op het beschutte strand aan de kleine baai. Hij was erheen gegaan om te zwemmen, het water was nog niet te koud. Na het zwemmen heeft hij gelezen. Daarbij moet hij zijn ingeslapen, als hij wakker wordt merkt hij dat hij niet meer alleen is. Aan het andere einde van het strand, bij het primitieve boothuis, waar het schip, dat hij nog nooit gezien heeft, te water kan worden gelaten via een stenen, daarvoor aangelegde helling, zit een oude man op de rotsen. In zijn hand heeft hij een stok, aan zijn voeten kapotte sandalen met gerafelde, omlaaghangende vleugels. Zijn bovenlijf is naakt, je kunt nog zien dat het vroeger krachtig geweest is. Nu is de huid verschrompeld en droog als die van hagedissen, het moet onaangenaam zijn om hem aan te raken. Zijn haar onder de helmachtige hoed zit in elkaar geklit, het is vuil en grijs. Dit is de eerste keer dat de bader een onsterfelijke ziet, hij houdt zich stil en hoopt dat de god...